Uitspraak
,hoger beroep ingesteld.
Centrale Raad van Beroep
Appellante was van 1 juni 2008 tot 31 mei 2009 in dienst als horecamedewerkster en meldde zich ziek met psychische klachten. Vanaf 1 juni 2009 ontving zij een WW-uitkering en liep zij vanaf 18 augustus 2009 tot 4 oktober 2010 stage/werkervaring bij een werkgever, waarbij de omvang van haar arbeid ter discussie stond.
Het UWV beëindigde haar Ziektewet-uitkering per 1 februari 2012 op basis van verzekeringsgeneeskundige rapporten die stelden dat zij geschikt was voor de maatgevende arbeid. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en stelde dat zij gemiddeld 10 uur per week werkte.
In hoger beroep voerde appellante aan dat zij gemiddeld 14 uur werkte en dat haar medische beperkingen onvoldoende waren meegewogen. De Raad oordeelde dat de exacte omvang van de arbeid niet exact vast te stellen was, maar dat de berekeningen van het UWV voldoende waren onderbouwd en dat de medische beoordeling zorgvuldig en volledig was. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
De Raad veroordeelde het UWV in de proceskosten van appellante en bepaalde dat het betaalde griffierecht werd vergoed.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.