ECLI:NL:CRVB:2016:1214
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens verzwegen gezamenlijke huishouding
Appellante ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) als alleenstaande ouder sinds december 2010. Naar aanleiding van een anonieme melding startte de sociale recherche een onderzoek naar haar woon- en leefsituatie, waarbij werd vastgesteld dat zij sinds oktober 2012 samenwoonde met appellant. Het college beëindigde daarop de bijstand en vorderde de te veel ontvangen bijstand terug.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellanten tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep voerden appellanten aan dat de rechtbank ten onrechte geen getuigen had gehoord en dat de afgelegde verklaringen onjuist waren. De Raad oordeelde dat de rechtbank geen verplichting had tot het horen van getuigen zonder expliciet verzoek en dat appellanten geen concreet verzoek hadden gedaan.
Verder stelde de Raad vast dat de verklaringen, die door appellanten ondertekend waren, in grote lijnen overeenstemden en dat de stellingen van appellanten onvoldoende concreet waren om het besluit aan te tasten. De Raad concludeerde dat er voldoende bewijs was dat sprake was van een gezamenlijke huishouding, waardoor het college terecht de bijstand introk en terugvorderde.
Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wegens verzwegen gezamenlijke huishouding wordt bevestigd.