ECLI:NL:CRVB:2016:1278
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verhaalsbesluit UWV wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen werkgever
Appellant was eigenaar van een administratiekantoor waar een werkneemster zich in juli 2012 ziek meldde wegens lichamelijke en psychische klachten. De arbeidsovereenkomst werd ontbonden per 16 juli 2013. Het UWV kende de werkneemster een Ziektewetuitkering toe vanaf 17 juli 2013 en verhaalde deze, inclusief werkgeverspremies, op appellant wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen.
Appellant voerde aan dat een verstoorde relatie met de werkneemster en haar negatieve houding mediation en re-integratieactiviteiten in de weg stonden. Het UWV en de rechtbank oordeelden echter dat appellant onvoldoende had gedaan en geen deugdelijke grond had voor het nalaten van re-integratieactiviteiten.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel. De mediation werd niet gestart ondanks het advies van de bedrijfsarts en de offerte die door appellant was geaccepteerd. Appellant had ook na de negatieve e-mail van de werkneemster in januari 2013 de re-integratie moeten voortzetten. Het ontbreken van contact met de bedrijfsarts en het niet ondernemen van activiteiten in het eerste of tweede spoor was onaanvaardbaar.
De Raad concludeert dat appellant onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht zonder deugdelijke grond en bevestigt het verhaalsbesluit van het UWV. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verhaalsbesluit van het UWV wordt bevestigd.