ECLI:NL:CRVB:2016:1318
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek tot correctie inschaling politie wegens ontbreken nieuw feiten
Appellant, sinds 2003 werkzaam bij de Politie Utrecht, verzocht om correctie van zijn inschaling vanaf zijn aanstelling, stellende dat hij niet conform het geldende beleid was ingeschaald en dat hem tijdens de sollicitatie een afwijkend beeld was geschetst. De korpschef wees dit verzoek af wegens verjaring en het ontbreken van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden volgens artikel 4:6 van Pro de Awb. De rechtbank vernietigde het besluit deels voor de periode vanaf 7 december 2012, maar wees het beroep af voor de periode 2007-2012.
In hoger beroep stelde appellant dat zijn situatie vergelijkbaar was met een eerdere zaak waarin een collega wel werd gecompenseerd wegens misleiding. De Raad oordeelde echter dat appellant zijn stelling niet aannemelijk had gemaakt, mede omdat hij zelf verklaarde dat er bij zijn intakegesprek geen salarisafspraken waren gemaakt. De Raad bevestigde dat de korpschef het verzoek terecht afwees omdat appellant niet binnen redelijke termijn na publicatie van relevante informatie een verzoek had ingediend.
De Raad concludeerde dat geen sprake was van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek tot correctie van de inschaling wordt afgewezen wegens ontbreken van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.