Appellante was vanaf 29 mei 2000 werkzaam als barmedewerker bij de onderneming van haar echtgenoot. Ondanks het huwelijk en het feit dat vanaf 2013 geen loon werd betaald, heeft de curator de arbeidsovereenkomst pas in januari 2014 opgezegd. Het Uwv weigerde een WW-uitkering omdat volgens hen geen gezagsverhouding bestond tussen appellante en haar echtgenoot.
De rechtbank stelde zich achter het Uwv en vond dat appellante niet aannemelijk had gemaakt dat zij onder gezag had gewerkt, mede vanwege het ontbreken van loonbetalingen, functioneringsgesprekken en verlofadministratie. In hoger beroep stelde appellante dat zij vanaf het begin een arbeidsovereenkomst had en onder gezag werkte.
De Raad oordeelde dat de arbeidsovereenkomst vanaf 29 mei 2000 bestond en voortduurde tot de opzegging door de curator. De gezagsverhouding was aanwezig, ondanks het ontbreken van schriftelijke afspraken en administratieve formaliteiten. Het feit dat appellante geen actie ondernam bij het uitblijven van loon beïnvloedt de kwalificatie van de overeenkomst niet.
De Raad vernietigde de eerdere uitspraken en beslissingen van het Uwv en bepaalde dat het Uwv nieuwe besluiten moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd het Uwv veroordeeld in de proceskosten.