Uitspraak
15.2154 WWB
OVERWEGINGEN
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellante ontvangt sinds 2005 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Uit onderzoek in 2013 bleek dat zij vanaf januari 2010 contante stortingen van circa €24.000,- ontving die zij niet had gemeld. Het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven herzag de bijstand en vorderde €17.650,- terug over de periode 1 januari 2010 tot 5 juli 2013.
Appellante stelde dat het ging om leningen van derden, waardoor zij niet vrijelijk over deze bedragen kon beschikken. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak in hoger beroep. De Raad overweegt dat de gestorte bedragen, ondanks het leningkarakter, als inkomen en dus als middelen moeten worden aangemerkt volgens artikel 31, tweede lid, WWB.
De Raad benadrukt dat een toename van schuldenlast of de terugbetaling van leningen niet relevant is voor de beoordeling van middelen. Ook het argument dat appellante door de terugvordering dubbel zou betalen wordt verworpen. De Raad wijst op de mogelijkheid van kwijtschelding na vijf jaar aflossing op grond van nieuw beleid. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de terugvordering van bijstand wordt bevestigd ondanks het leningkarakter van de gestorte bedragen.