ECLI:NL:CRVB:2016:1405
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A.B.J. van der Ham
- M. Hillen
- J.M.A. van der Kolk
- Rechtspraak.nl
Terechte intrekking en terugvordering bijstand wegens beëindiging verblijfsstatus zonder dringende redenen
Appellant ontving vanaf juni 2009 bijstand op grond van de WWB. Het college ontving meldingen dat de verblijfsvergunning van appellant was verlopen en dat hij met onbekende bestemming was vertrokken. Op basis van deze gegevens en retour gekomen post blokkeerde het college de bijstand en trok deze met terugwerkende kracht in per 18 augustus 2011, waarbij de kosten werden teruggevorderd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, maar in hoger beroep betoogde appellant dat het college de verblijfsstatus bij de IND had moeten verifiëren en dat het onderzoek onzorgvuldig was. De Raad oordeelde dat de IND-code in de Basisregistratie Personen leidend is en dat het college terecht bijstand had ingetrokken wegens onvoldoende informatie over de verblijfstatus en gerechtelijke procedures.
Appellant stelde dat er dringende redenen waren om terugvordering te voorkomen, zoals medische problematiek en een suïcidepoging, maar de Raad vond deze omstandigheden niet uitzonderlijk genoeg om af te zien van terugvordering. Wel oordeelde de Raad dat het college in het bestreden besluit onjuist was geweest door uit te gaan van een verplichting tot terugvordering, waardoor het college in de proceskosten werd veroordeeld.
De Raad vernietigde het deel van de uitspraak waarin het college niet werd veroordeeld in de proceskosten en veroordeelde het college tot vergoeding van de kosten van appellant in beroep en hoger beroep, inclusief griffierecht.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand zijn terecht, maar het college wordt veroordeeld in de proceskosten wegens een onjuiste grondslag in het besluit.