Uitspraak
23 december 2013, 13/978 (aangevallen uitspraak)
OVERWEGINGEN
14 juni 2012 tot 14 juni 2017 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000
Centrale Raad van Beroep
Appellant, van Tibetaanse afkomst, diende in 2012 een aanvraag in voor maatschappelijke opvang bij het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam. Deze aanvraag werd afgewezen omdat appellant niet voldeed aan de voorwaarden, met name omdat hij niet feitelijk dakloos was.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellant tegen deze afwijzing ongegrond, stellende dat appellant onderdak had bij vrienden en kennissen. In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak. De Raad overweegt dat gedurende de relevante periode appellant rechtmatig verblijf had en geen concrete dreiging van dakloosheid bestond.
De Raad concludeert dat het college terecht heeft geoordeeld dat er geen noodzaak was tot toelating tot maatschappelijke opvang of verstrekking van leefgeld. Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van toelating tot maatschappelijke opvang wegens ontbreken van feitelijke dakloosheid.