ECLI:NL:CRVB:2016:1437
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand ondanks schulden na aanvang bijstand
Appellante ontving vanaf 1 september 2003 bijstand als alleenstaande ouder. Na haar echtscheiding kreeg zij in 2013 een bedrag uit de huwelijksboedel toegekend. Het dagelijks bestuur trok de bijstand over een periode in en vorderde de kosten van bijstand terug omdat appellante niet had gemeld dat zij over deze middelen beschikte.
Appellante voerde aan dat zij haar schulden met het ontvangen bedrag had afbetaald en dat het dagelijks bestuur bij de vaststelling van het vrij te laten vermogen rekening had moeten houden met deze schulden. Ook stelde zij dat vanwege haar lage inkomen terugvordering niet op zijn plaats was.
De Raad oordeelde dat schulden die na aanvang van de bijstand zijn ontstaan niet in mindering mogen worden gebracht op het vermogen bij de vaststelling van terugvordering. Daarnaast was appellante onvoldoende geslaagd in het aannemelijk maken van dringende redenen om van terugvordering af te zien. De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van bijstand wordt bevestigd.