Eiseres ontving vanaf 22 augustus 2018 bijstand op grond van de Participatiewet. Na verkoop van de echtelijke woning in oktober 2021 kreeg zij op 6 december 2021 een bedrag van €79.559,66 uitgekeerd, wat haar vermogen boven de vermogensgrens bracht. Verweerder trok de bijstand met terugwerkende kracht in en vorderde €34.409,43 terug.
Eiseres voerde aan dat de terugvordering onterecht was omdat zij pas in december 2021 over het geld kon beschikken, zij schulden had die niet werden meegewogen, en dat zij niet was gewezen op terugvordering. De rechtbank oordeelde dat aanspraak op het vermogen vóór aanvang bijstand beslissend is en dat schulden na aanvang niet in mindering mogen worden gebracht.
De rechtbank verwierp ook het beroep op het vertrouwensbeginsel en vond dat verweerder voldoende rekening had gehouden met de persoonlijke omstandigheden van eiseres. Er waren geen dringende redenen om af te zien van terugvordering. Het beroep werd ongegrond verklaard en eiseres kreeg geen proceskostenvergoeding.