ECLI:NL:CRVB:2016:1467
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking uitkering wegens gezamenlijke huishouding ondanks verschillende inschrijvingen
Appellant ontving sinds 2010 een IOAW-uitkering als alleenstaande, terwijl hij sinds 1988 stond ingeschreven op het uitkeringsadres. Na melding van zijn huwelijk met A heeft het college onderzoek gedaan naar zijn hoofdverblijf. Uit het onderzoek, inclusief verklaringen van appellant en een buurtbewoner, bleek dat appellant zijn hoofdverblijf had bij A, met wie hij een gezamenlijke huishouding voerde.
Het college trok daarom de uitkering in vanaf 2010 wegens het ontbreken van het hoofdverblijf op het uitkeringsadres. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Raad vernietigde deze uitspraak omdat het college een onjuiste grondslag gebruikte. De Raad stelde echter vast dat appellant en A een gezamenlijke huishouding hadden, waardoor appellant geen zelfstandig recht op uitkering had.
De Raad maakte onderscheid tussen de periode voor en na het huwelijk in 2012. Voor het huwelijk was sprake van een onweerlegbaar vermoeden van gezamenlijke huishouding door het gezamenlijk hoofdverblijf en een kind. Na het huwelijk was appellant niet duurzaam gescheiden van A, zodat ook daarna geen zelfstandig recht op uitkering bestond.
De Raad veroordeelde het college tot vergoeding van de proceskosten en bepaalde dat het betaalde griffierecht aan appellant wordt terugbetaald. De rechtsgevolgen van het intrekkingsbesluit blijven gehandhaafd, ondanks de vernietiging van het besluit zelf.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de uitkering wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven gehandhaafd vanwege gezamenlijke huishouding.