ECLI:NL:CRVB:2016:1515
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging ziekengeld na beoordeling arbeidsmogelijkheden appellant
Appellant meldde zich wegens gezondheidsklachten ziek en ontving aanvankelijk een WW-uitkering en later ziekengeld. Het UWV stelde vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en dat hij geschikt was voor diverse functies, waaronder die van productiemedewerker en elektronicamonteur, en beëindigde het ziekengeld per 10 mei 2011. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, stellende dat hij de geduide functies naast zijn werkzaamheden bij zijn werkgever niet kon vervullen vanwege een duurbeperking en verslechterde gezondheid.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het UWV de arbeidsmaatstaf voldoende had gemotiveerd. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad overwoog dat de maatgevende arbeid wordt bepaald op basis van de laatst verrichte arbeid en de WIA-beoordeling, rekening houdend met het dienstverband van appellant.
Uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep bleek dat appellant niet langer ongeschikt was voor zijn arbeid en dat er geen reden was voor een duurbeperking in zijn arbeidsmogelijkheden, ook niet om psychische redenen. Appellant bracht geen medische gegevens aan die een andere beoordeling rechtvaardigden. De Raad concludeerde daarom dat het UWV terecht het ziekengeld heeft beëindigd en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit tot beëindiging van het ziekengeld wordt bevestigd.