ECLI:NL:CRVB:2016:1537
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens onduidelijke kasstortingen
Appellant ontving bijstand op grond van de WWB en deed geen melding van 31 kasstortingen op zijn bankrekening, totaal €4.745,-, over de periode november 2013 tot juli 2014. Het college van burgemeester en wethouders van Hoogeveen herzag de bijstand en vorderde terugbetaling van de kosten.
Appellant stelde dat de kasstortingen afkomstig waren van twee bedragen die hij van een derde had ontvangen en dat hij deze bedragen in delen op zijn rekening had gestort om schulden af te lossen. De rechtbank oordeelde dat appellant geen voldoende duidelijkheid had gegeven over de herkomst van de kasstortingen en dat de verklaring van de derde niet voldeed als bewijs.
De Centrale Raad van Beroep overwoog dat kasstortingen in beginsel als in aanmerking te nemen middelen gelden en dat het niet relevant is of appellant de gelden gebruikte voor schulden. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van bijstand wordt bevestigd.