ECLI:NL:CRVB:2020:2232
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand wegens niet-gemelde bankstortingen als inkomen
Appellante ontving bijstand op grond van de Participatiewet en heeft gedurende de periode van 15 oktober 2012 tot en met 31 januari 2016 diverse stortingen en bijschrijvingen op haar en haar minderjarige zoon zijn bankrekeningen ontvangen. Deze bedragen werden niet gemeld aan het dagelijks bestuur van het Werkplein Hart van West-Brabant, hetgeen leidde tot een onderzoek en uiteindelijk tot een besluit tot intrekking, herziening en terugvordering van bijstand.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de stortingen en bijschrijvingen, gelet op hun omvang en regelmaat, als terugkerend of periodiek karakter moeten worden beschouwd en daarmee als inkomen in de zin van de Participatiewet. Het feit dat de gelden werden aangewend voor het aflossen van schulden doet hieraan niet af. Appellante heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij niet vrijelijk over deze bedragen kon beschikken.
De Raad bevestigt de eerdere uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant dat appellante de inlichtingenverplichting heeft geschonden door deze inkomsten niet te melden. De terugvordering van € 12.875,86 is daarmee terecht vastgesteld. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van bijstand bevestigd.