ECLI:NL:CRVB:2016:1539
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet-melding erfenis en schending inlichtingenplicht
Appellant ontving vanaf juni 2009 bijstand op grond van de WWB in de vorm van een geldlening vanwege het bezit van een eigen woning. Na een signaal van de Belastingdienst over een saldo op zijn rekeningen, stelde het college een onderzoek in waaruit bleek dat appellant het overlijden van zijn vader, de ontvangst van een voorschot op de erfenis en de definitieve afwikkeling daarvan niet had gemeld.
Het college trok de bijstand over de periode van 26 februari 2011 tot en met 30 april 2013 in en vorderde de kosten terug. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en appellant ging in hoger beroep. De Raad oordeelde dat de aanspraak op de erfenis ontstond op het moment van overlijden en dat terugvordering over de periode van 26 februari 2011 tot 27 juni 2012 terecht was, ook al was de bijstand een geldlening.
Voor de periode van 28 juni 2012 tot en met 30 april 2013 werd de bijstand ingetrokken wegens schending van de inlichtingenplicht. Appellant voerde aan dat hij niet wist dat hij moest melden, maar de Raad stelde dat deze verplichting objectief is en opzet niet relevant. Ook de financiële problemen die appellant aanvoerde konden de terugvordering niet verhinderen.
De Raad bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en wees een veroordeling in proceskosten af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens niet-melding van de erfenis en schending van de inlichtingenplicht.