ECLI:NL:CRVB:2014:2375
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Medeterugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding onder WWB
Betrokkene en B ontvingen bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Na onderzoek van de sociale recherche ontstond het vermoeden dat zij een gezamenlijke huishouding voerden, wat gevolgen had voor de rechtmatigheid van de verleende bijstand. Appellant trok het recht op bijstand van B in en vorderde de kosten mede van betrokkene terug.
De rechtbank oordeelde dat betrokkene aannemelijk had gemaakt dat geen sprake was van een gezamenlijk hoofdverblijf en vernietigde het besluit. Appellant ging in hoger beroep tegen deze uitspraak. De Raad stelde vast dat de rechtbank onvoldoende had gemotiveerd waarom betrokkene het tegendeel aannemelijk had gemaakt.
De Raad beoordeelde de onderzoeksbevindingen, waaronder verklaringen van betrokkene, B, buurtbewoners en familieleden, en concludeerde dat er sprake was van een gezamenlijke huishouding. Betrokkene had geen eigen belang bij het besluit tot intrekking en terugvordering van B’s bijstand en had geen recht op inzage in het volledige strafdossier.
De Raad verwierp ook het verweer dat de datum van erkenning van de kinderen relevant was en bevestigde het onweerlegbaar rechtsvermoeden van gezamenlijke huishouding. De medeterugvordering was terecht, omdat B zijn inlichtingenverplichting had geschonden. Betrokkene had onvoldoende concreet bewijs voor verzachtende omstandigheden. De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd.