ECLI:NL:CRVB:2016:1566
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering persoonsgebonden budget wegens niet tijdige verantwoording
Appellant beschikte over een indicatie voor zorg op grond van de AWBZ en ontving een persoonsgebonden budget (pgb) van het Zorgkantoor. In 2010 stelde het Zorgkantoor vast dat appellant niet volledig had verantwoord over 2009 en vorderde een bedrag terug. Bij een besluit in 2011 werd een nieuwe pgb-aanvraag afgewezen vanwege het niet naleven van verplichtingen, met name het niet tijdig verantwoorden van het pgb.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant gegrond omdat het Zorgkantoor bij de weigering geen belangenafweging had gemaakt, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand omdat deze belangenafweging later alsnog was gemaakt. In hoger beroep voerde appellant aan dat overmacht door ziekte de reden was voor het niet afleggen van verantwoording.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het Zorgkantoor terecht gebruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid om het pgb te weigeren, dat de overmacht niet kan worden toegerekend aan het bestreden besluit dat onaantastbaar is geworden, en dat de belangenafweging rechtvaardigde dat appellant geen pgb ontvangt. Het Zorgkantoor hield rekening met de mogelijkheid van zorg in natura en de onvoldoende garanties bij overdracht van beheer aan een derde.
De Raad bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het pgb wegens niet tijdige verantwoording over 2009.