ECLI:NL:CRVB:2016:1746
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling recht op maatschappelijke opvang en verblijfsvergunning asiel bij ongewenst vreemdeling
Appellant, een Iraanse nationaliteit dragende persoon, verbleef sinds 1998 in Nederland en werd in 2004 tot ongewenst vreemdeling verklaard. Na vrijlating uit vreemdelingenbewaring in oktober 2011 verzocht hij om maatschappelijke opvang, welke door het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam werd afgewezen wegens het ontbreken van rechtmatig verblijf. Dit besluit werd door de rechtbank bevestigd.
Appellant kreeg later, met terugwerkende kracht vanaf 19 september 2012, een verblijfsvergunning asiel toegekend. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat deze verlening na de periode van belang plaatsvond en dat appellant in de relevante periode geen aanspraak kon maken op maatschappelijke opvang. Het beroep op artikel 8 EVRM Pro, dat bescherming biedt aan kwetsbare personen, werd verworpen omdat onvoldoende medische onderbouwing bestond dat appellant in die periode tot deze categorie behoorde.
De Raad verwees naar jurisprudentie en het arrest H.T. van het Hof van Justitie, waarin werd bevestigd dat de erkenning van vluchtelingenstatus declaratoir is en dat de verblijfstitel een administratieve handeling betreft. De verlening van de verblijfsvergunning na de periode van belang betekent dat appellant in die periode geen recht op opvang had. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Hoger beroep ongegrond verklaard; appellant had in de periode zonder rechtmatig verblijf geen recht op maatschappelijke opvang.