ECLI:NL:CRVB:2016:179
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op bijstand met terugwerkende kracht wegens ontbreken bijzondere omstandigheden
Appellant ontving tot 28 augustus 2012 een Ziektewetuitkering en vroeg later een WIA-uitkering aan, die werd afgewezen. Vervolgens vroeg hij een WW-uitkering aan, die eveneens werd afgewezen. Op 27 juni 2013 meldde hij zich voor bijstand met een gewenste ingangsdatum van 29 augustus 2012. Het college kende bijstand toe vanaf 27 juni 2013 en vervroegde dit later naar 20 juni 2013, conform het geldende beleid.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. Appellant stelde in hoger beroep dat bijzondere omstandigheden toekenning van bijstand met terugwerkende kracht rechtvaardigen. De Raad oordeelt dat volgens vaste rechtspraak geen recht bestaat op bijstand vóór de datum van melding, tenzij bijzondere omstandigheden aanwezig zijn.
De Raad concludeert dat appellant geen bijzondere omstandigheden heeft aangetoond. Er is geen bewijs dat hij eerder heeft geïnformeerd naar bijstand of andere uitkeringen, noch dat het college hem onjuist heeft geïnformeerd. Ook zijn veronderstelling dat hij vanwege ziekte geen recht had en zijn schuldenlast zijn geen bijzondere omstandigheden. Het hoger beroep wordt daarom afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Geen bijstand met terugwerkende kracht wegens ontbreken van bijzondere omstandigheden.