ECLI:NL:CRVB:2016:1795
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak over terugvordering en beroepskosten huur studio WWIK-uitkering 2012
Appellant ontving een voorlopige WWIK-uitkering over 2012, die het college terugvorderde wegens het niet tijdig aanleveren van benodigde gegevens. Na bezwaar en herzieningen stelde het college de definitieve uitkering vast, waarbij het beroepskosten meenam. Appellant voerde aan dat hij studiohuurkosten had gemaakt in de eerste helft van 2012, maar deze waren aanvankelijk niet opgenomen in zijn resultatenrekening.
De rechtbank oordeelde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij in die periode studiohuurkosten had gemaakt, en stelde de terugvordering vast op een lager bedrag dan het college had bepaald. Appellant ging in hoger beroep tegen deze uitspraak en overlegde gewijzigde resultatenrekeningen en facturen met betrekking tot de studiohuur.
De Centrale Raad van Beroep concludeert dat de vele aanpassingen en het ontbreken van bewijs van betaling of een verklaring van de factuuropsteller onvoldoende zijn om aannemelijk te maken dat de studiohuurkosten daadwerkelijk in de eerste helft van 2012 zijn gemaakt. Daarom wordt de uitspraak van de rechtbank bevestigd en het hoger beroep verworpen.
Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 17 mei 2016.
Uitkomst: Hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.