Eiser ontvangt sinds 2014 een bijstandsuitkering als alleenstaande. Het college stelde een rechtmatigheidsonderzoek in na een signaal en constateerde dat eiser een auto op zijn naam had gesteld zonder dit te melden en daarnaast diverse stortingen ontving die niet waren opgegeven. Het college trok de bijstand over oktober 2019 in en herzag de uitkering over november 2019 tot februari 2020. Tevens werd een terugvordering opgelegd.
Eiser voerde aan dat de tenaamstelling van de auto een vriendendienst betrof en dat de ontvangen bedragen kortdurende leningen waren binnen de Somalische gemeenschap, die niet schriftelijk waren vastgelegd. De rechtbank oordeelde dat eiser de inlichtingenplicht had geschonden, omdat hij de tenaamstelling en de stortingen niet had gemeld. De auto wordt als vermogen beschouwd en de stortingen als inkomen in de zin van de Participatiewet.
De rechtbank stelde dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij ondanks de schending recht had op bijstand over oktober 2019. Ook de argumenten over de aard van de stortingen werden verworpen. Het beroep werd ongegrond verklaard en de terugvordering werd bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.