ECLI:NL:CRVB:2016:1840
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na plichtsverzuim
Appellante was werkzaam bij de regiopolitie en kreeg wegens plichtsverzuim, waaronder het onjuist registreren van diensturen, voorwaardelijk ontslag opgelegd. Na een nieuw plichtsverzuim werd zij onvoorwaardelijk strafontslag verleend. Het UWV weigerde haar een WW-uitkering omdat zij verwijtbaar werkloos was geworden.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze weigering ongegrond. Appellante voerde in hoger beroep aan dat het UWV geen eigen onderzoek had gedaan en dat het plichtsverzuim gering was, maar deze gronden werden verworpen. Het disciplinaire onderzoek toonde aan dat zij in een korte periode onterecht 14 uren als diensturen had geregistreerd.
De Raad concludeert dat er sprake is van een dringende reden voor ontslag en dat appellante verwijtbaar werkloos is geworden. Er zijn geen persoonlijke omstandigheden die dit anders maken. De weigering van de WW-uitkering is daarom terecht en het hoger beroep wordt afgewezen.
Uitkomst: De WW-uitkering wordt terecht geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid na plichtsverzuim.