ECLI:NL:CRVB:2016:1846
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Ongegrondverklaring beroep tegen herziening studiefinanciering wegens woonsituatie
Betrokkene stond ingeschreven op een adres in de basisregistratie personen tot 14 februari 2014 en kreeg studiefinanciering toegekend als uitwonende studente. Na een huisbezoek op 12 februari 2014 concludeerden controleurs dat betrokkene sinds ongeveer 5 februari 2014 niet meer op dat adres woonde. Op basis hiervan herzag appellant de studiefinanciering met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2012 naar de norm voor thuiswonenden en vorderde het te veel betaalde bedrag terug.
De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene gegrond en oordeelde dat appellant de hardheidsclausule had moeten toepassen omdat uit het rapport bleek dat betrokkene tot 5 februari 2014 wel op het adres woonde. Appellant stelde in hoger beroep dat de controleurs dit niet hadden vastgesteld en dat betrokkene onvoldoende bewijs had geleverd voor haar stelling.
De Raad oordeelde dat betrokkene niet onomstotelijk heeft bewezen dat zij vóór 5 februari 2014 op het adres woonde. Verklaringen van de hoofdbewoonster, buren en familie waren onvoldoende gedetailleerd en konden niet uitsluiten dat het adres slechts als postadres werd gebruikt. Daarom was er geen aanleiding om van de herziening af te zien. De aangevallen uitspraak werd vernietigd en het beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene tegen de herziening van studiefinanciering wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van bewoning op het brp-adres vóór 5 februari 2014.