ECLI:NL:CRVB:2016:1862
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens onduidelijke financiële situatie en buiten behandeling stelling aanvraag
Appellant ontving bijstand op grond van de WWB van juni 2008 tot oktober 2012. Na een melding van de woningbouwvereniging en een onderzoek door de sociale recherche ontstonden twijfels over de rechtmatigheid van de bijstand, omdat de uitgaven hoger waren dan de ontvangen bijstand en toeslagen. Appellant verklaarde geld te hebben terugontvangen van leningen en geleend van vrienden, maar kon dit onvoldoende met verifieerbare documenten onderbouwen.
Het college van burgemeester en wethouders trok de bijstand over de periode van september 2011 tot oktober 2012 in en vorderde de kosten terug. Tevens stelde het college een nieuwe aanvraag buiten behandeling wegens het niet tijdig aanleveren van een bankafschrift. De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat hij wel voldoende bewijs had geleverd, onder meer met vertaalde verklaringen van geldleningen, en dat het college niet bevoegd was om bankafschriften van langer dan drie maanden op te vragen. De Raad oordeelde dat de verklaringen niet stroken met eerdere verklaringen en onvoldoende inzicht geven in de financiële situatie. Ook is het college gerechtigd om bankafschriften over een langere periode op te vragen bij twijfel over de juistheid van verstrekte gegevens.
De Raad bevestigt dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden, waardoor intrekking en terugvordering van de bijstand terecht zijn. Ook was het college bevoegd om de aanvraag buiten behandeling te stellen wegens ontbrekende stukken. Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand worden bevestigd en de aanvraag terecht buiten behandeling gesteld.