ECLI:NL:CRVB:2016:1879
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- O.L.H.W.I. Korte
- P.W. van Straalen
- J.T.H. Zimmerman
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens verzwegen buitenlands vermogen zonder indirecte discriminatie
Appellante ontving sinds 2007 aanvullende bijstand en werd onderzocht vanwege vermoedens van bezit van onroerend goed in Turkije. Na onderzoek door de Nederlandse ambassade en overleg met de gemeente werd vastgesteld dat zij een stuk bouwgrond had geërfd. Het college trok daarom de bijstand per 1 mei 2013 in wegens het bezit van vermogen boven de vrijstellingsgrens.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, en in hoger beroep betwistte zij dat het college de gegevens rechtmatig had verkregen en dat zij niet was gewezen op strafrechtelijke consequenties. De Raad oordeelde dat het risicoprofiel niet leidt tot indirecte discriminatie tussen groepen van niet-Nederlandse herkomst, mede vanwege het ontbreken van bewijs van disproportionele selectie.
Verder stelde de Raad dat de intrekking van bijstand een herstelmaatregel is en geen straf, waardoor het college niet verplicht was appellante te wijzen op strafrechtelijke gevolgen van haar verklaringen. Het hoger beroep werd verworpen en de intrekking van de bijstand bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wegens verzwegen buitenlands vermogen wordt bevestigd zonder dat sprake is van indirecte discriminatie.