ECLI:NL:CRVB:2016:1897
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- J.P.M. Zeijen
- C.P.J. Goorden
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering vervoersvoorziening voor jonggehandicapte zonder reguliere arbeid
Appellant, geboren in 1992 en volledig arbeidsongeschikt door ernstige verstandelijke en visuele beperkingen, vroeg om een vervoersvoorziening voor taxiritten naar zijn dagbesteding. Het UWV wees dit af op grond van artikel 2:22 van Pro de Wet Wajong, omdat de activiteiten niet als reguliere arbeid of scholing worden beschouwd.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat gezien zijn medische beperkingen het niet aannemelijk is dat appellant ooit reguliere arbeid zal verrichten, een vereiste voor toekenning van de voorziening. Appellant stelde in hoger beroep dat de vervoersvoorziening zijn leefomstandigheden zou verbeteren omdat hij onder begeleiding werkzaamheden verricht die bijdragen aan zijn welzijn.
De Raad oordeelt dat artikel 2:22 lid 3 van Pro de Wet Wajong niet los kan worden gezien van de eerste twee leden, en dat de vervoersvoorziening moet samenhangen met het bereiken van een werkplek of opleidingslocatie. Omdat de dagbesteding niet als reguliere arbeid of scholing kwalificeert, is toekenning niet mogelijk. Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Een vergoeding van wettelijke rente wordt afgewezen en er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de vervoersvoorziening omdat de dagbesteding niet als reguliere arbeid of scholing kwalificeert.