Appellante ontving vanaf september 2012 studiefinanciering berekend naar de uitwonendennorm, terwijl zij ingeschreven stond op een adres waaruit later bleek dat zij daar niet woonde. Na een huisbezoek en getuigenverklaringen herzag de minister de studiefinanciering en keerde terug naar de thuiswonendennorm, met terugvordering van teveel betaalde bedragen.
Appellante diende daarna opnieuw een aanvraag in voor studiefinanciering volgens de uitwonendennorm, met bewijsstukken zoals foto’s van haar kamer, locatiegeschiedenis van Google Maps, een aanvraagformulier voor een inboedelverzekering en verklaringen van buurtbewoners. De minister wees deze aanvraag af wegens gebrek aan bewijs.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat sprake was van een herhaalde aanvraag zonder nieuwe feiten. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat een nieuwe aanvraag binnen hetzelfde studiefinancieringstijdvak mogelijk is en dat appellante voldoende bewijs had geleverd om haar feitelijke bewoning aan te tonen vanaf oktober 2013.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en de eerdere afwijzingen, en bepaalde dat appellante recht heeft op studiefinanciering volgens de uitwonendennorm voor oktober tot en met december 2013. Tevens werd de minister veroordeeld tot schadevergoeding en proceskostenvergoeding.