ECLI:NL:CRVB:2016:203
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsaanvraag wegens onvoldoende duidelijkheid financiële positie en schending inlichtingenplicht
Appellant heeft op 24 december 2013 bijstand aangevraagd, waarop het college een voorschot van €950 toekende. Later werd de aanvraag afgewezen en het voorschot teruggevorderd omdat appellant niet aannemelijk kon maken hoe hij in de periode voorafgaand aan de aanvraag in zijn levensonderhoud voorzag.
Appellant stelde dat hij leefde van leningen van familie en kennissen, kinderbijslag, toeslagen en parttime werk. Echter, de overgelegde bewijsstukken, waaronder bankafschriften en verklaringen, boden onvoldoende concrete onderbouwing. De Raad oordeelde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat de leningen daadwerkelijk in de gestelde termijnen waren ontvangen en besteed aan levensonderhoud.
Daarnaast was er inconsistentie in de verklaringen over de geldschieters en ontbrak opgave van schulden op het aanvraagformulier. Hierdoor kon het college het recht op bijstand niet vaststellen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de terugvordering van het voorschot werd bevestigd.
Uitkomst: De bijstandsaanvraag van appellant wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van financiële situatie en schending van de inlichtingenplicht.