Uitspraak
OVERWEGINGEN
BESLISSING
€ 496,-;
Centrale Raad van Beroep
Appellant was na beëindiging van zijn dienstverband in april 2013 aangewezen voor een WW-uitkering. Hij startte op 9 april 2013 een eenmanszaak en verrichtte van 9 tot en met 12 mei 2013 werkzaamheden als zelfstandig standhouder zonder dit tijdig aan het Uwv te melden. Pas na twee maanden meldde hij zijn zelfstandige activiteiten aan het Uwv.
Het Uwv herzag de WW-uitkering en legde een boete op wegens overtreding van de inlichtingenplicht. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant deels gegrond en matigde de boete tot €730. De rechtbank oordeelde dat appellant grove schuld had omdat hij zich had georiënteerd op het zelfstandig ondernemerschap en een workshop had gevolgd, maar zijn werkzaamheden niet meldde.
In hoger beroep betoogde appellant dat zijn zelfstandige werkzaamheden zeer kort waren en dat hij in overleg met de werkcoach had gehandeld. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de werkzaamheden wel degelijk zelfstandige arbeid vormden en dat de inlichtingenplicht was geschonden. Echter, de Raad volgde de rechtbank niet in het aannemen van grove schuld. Op grond van het huidige beleid en omstandigheden stelde de Raad de boete vast op €130.
De Raad vernietigde het deel van de uitspraak over de hoogte van de boete, stelde deze vast op €130, en veroordeelde het Uwv tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht. Hiermee werd de boete aanzienlijk verminderd vanwege het ontbreken van grove schuld en de relatief korte duur van de werkzaamheden.
Uitkomst: Boete wegens niet tijdig melden zelfstandige werkzaamheden vastgesteld op €130, lagere boete dan rechtbank oordeelde.