ECLI:NL:CRVB:2016:1429
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vermindering boete wegens schending inlichtingenplicht WW-uitkering
Appellant ontving een WW-uitkering en meldde via een digitaal formulier een wijziging in zijn werkhervatting. Het UWV stelde later vast dat appellant vanaf 1 januari 2013 werkte, terwijl hij dit volgens het UWV niet tijdig had doorgegeven, en legde een boete van €2.530 op wegens schending van de inlichtingenplicht.
Appellant stelde dat hij de wijziging wel had doorgegeven via het digitale formulier, maar geen ontvangstbevestiging had ontvangen en dat mogelijk een technische storing bij het UWV de oorzaak was. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV onvoldoende had bewezen dat appellant de wijziging niet had doorgegeven en dat het voordeel van de twijfel aan appellant moest worden gegeven.
Wel werd geoordeeld dat appellant na ontvangst van de betaalspecificatie had moeten beseffen dat het UWV niet op de hoogte was van zijn werkhervatting en dat hij toen contact had moeten opnemen. Dit nalaten was verwijtbaar, maar niet te kwalificeren als grove schuld. Daarom werd de boete verlaagd naar €550, passend bij de ernst van de overtreding en de omstandigheden.
De Centrale Raad van Beroep vernietigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, stelde de boete vast op €550 en veroordeelde het UWV in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: De boete wegens schending van de inlichtingenplicht wordt verlaagd van €2.530 naar €550.