Appellant ontving een WW-uitkering gebaseerd op een verlies van 40 arbeidsuren per week, waarbij werkzaamheden voor Defensie en een werkgever werden meegenomen. Het Uwv stelde vast dat appellant niet tijdig en volledig de gewerkte uren had doorgegeven, wat leidde tot herziening van de uitkering en oplegging van een boete.
De rechtbank had de herziening en terugvordering van de onverschuldigd betaalde WW-uitkering in stand gelaten, maar de boete gegrond verklaard wegens strijd met het EVRM en de Awb, en deze verlaagd. In hoger beroep betoogde appellant dat de uren over een langere periode gemiddeld moesten worden en dat directe opgave niet mogelijk was vanwege vertraagde salarisbetalingen.
De Raad verwierp deze stellingen en bevestigde dat de wettelijke bepalingen een wekelijkse berekening voorschrijven. De boete werd gematigd tot €600,- omdat appellant gedeeltelijk had voldaan aan zijn opgaveplicht. De Raad vernietigde het eerdere oordeel over de boete en stelde het bedrag definitief vast. Het griffierecht werd aan appellant vergoed.