Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2016:221

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 januari 2016
Publicatiedatum
20 januari 2016
Zaaknummer
14/6416 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellant, voormalig bedrijfsleider, vroeg een WIA-uitkering aan wegens psychische klachten. Het UWV stelde vast dat hij per 21 maart 2013 minder dan 35% arbeidsongeschikt was en wees de uitkering af. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat de verzekeringsarts voldoende had gemotiveerd waarom geen sprake was van ernstige psychische stoornis op de peildatum.

Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn beperkingen werden onderschat en dat er ook beperkingen op andere aspecten zoals werken met klanten en concentratie moesten worden erkend. Tevens stelde hij dat de verzekeringsarts vooringenomen was. De Raad oordeelde dat deze gronden een herhaling van eerdere bezwaren waren en onderschreef het oordeel van de rechtbank. Er was geen aanleiding om een onafhankelijke psychiater te benoemen.

De Raad concludeerde dat de vastgestelde beperkingen juist waren en dat de functies waarop de beoordeling was gebaseerd medisch passend waren. Daarom was er geen recht op een WIA-uitkering. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.

Uitspraak

14/6416 WIA
Datum uitspraak: 13 januari 2016
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
14 oktober 2014, 13/6920 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. P.E. Stam, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 december 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Stam. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. drs. F.A. Steelman.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als bedrijfsleider van een horecaonderneming. Hij heeft zich vanuit een situatie dat hij een uitkering ontving op grond van de Werkloosheidswet per 24 maart 2011 ziek gemeld wegens psychische klachten. Op
17 april 2013 heeft appellant een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd.
1.2.
Bij besluit van 17 juni 2013 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant geen recht op een WIA-uitkering is ontstaan, omdat appellant met ingang van 21 maart 2013 minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van
16 oktober 2013 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Het bestreden besluit is gebaseerd op de rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep.
2.1.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende en inzichtelijk heeft gemotiveerd waarom ten tijde van de datum in geding, 21 maart 2013, geen sprake was van het psychisch niet zelfredzaam zijn als gevolg van een ernstige psychische stoornis. De verklaring van psychiater H. Loen van 10 september 2013 bevat daartoe geen (concrete) informatie. De opmerking dat de klachten van appellant de laatste maanden zijn toegenomen, zoals is weergegeven in de aanvullende verklaring van psychiater Loen van 3 juni 2014, ziet niet op de medische situatie van appellant op de datum in geding. Dit geldt volgens de rechtbank eveneens voor de overgelegde informatie van de Stichting Helping Hands.
2.2.
Dat op grond van zijn psychische klachten meer beperkingen dienen te worden aangenomen dan die in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) zijn vastgelegd, volgt de rechtbank evenmin. De verzekeringsgeneeskundige bevindingen van de verzekeringsarts bezwaar en beroep over de waardering van de klachten van appellant en de als gevolg daarvan bestaande beperkingen zijn voldoende inzichtelijk gemotiveerd, zo ook het standpunt dat onvoldoende grond bestaat om een urenbeperking aan te nemen. Appellant heeft geen medische informatie overgelegd waaruit volgt dat hij op de datum in geding meer of andere beperkingen had dan door de verzekeringsarts bezwaar en beroep zijn vastgesteld. Er bestaat volgens de rechtbank dan ook geen aanleiding te twijfelen aan de bevindingen van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
3. Appellant heeft in hoger beroep - kort weergegeven - aangevoerd dat zijn psychische beperkingen door de verzekeringsartsen van het Uwv zijn onderschat. In de FML dienen ook beperkingen te worden opgenomen op de aspecten werken met patiënten en/of klanten, emotionele problemen van anderen hanteren, concentratie en werktijden. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant verwezen naar de al in bezwaar en beroep overgelegde informatie van psychiater Loen. Daarbij heeft appellant er tevens op gewezen dat uit de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep blijkt dat deze arts vooringenomen is geweest.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Voor het toepasselijk wettelijk kader wordt verwezen naar wat de rechtbank in de overwegingen 6 tot en met 10 van de aangevallen uitspraak heeft vermeld.
4.2.
Het namens appellant in hoger beroep aangevoerde is in essentie een herhaling van wat hij in beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft deze gronden in de aangevallen uitspraak volledig en gemotiveerd besproken. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. Daarbij wordt nog in aanmerking genomen dat de rechtbank voor het standpunt van appellant dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep vooringenomen is geweest, onvoldoende aanknopingspunten heeft gevonden. Hoewel een opmerking over de beweegredenen van appellant om zich tot psychiater Loen te wenden, niet dienstig is voor de beoordeling, en deze opmerking als niet ter zake doende achterwege had kunnen blijven, wordt daarin geen grond gevonden om aan te nemen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep bevooroordeeld of vooringenomen is geweest bij het verrichten van haar onderzoek. Ook in hoger beroep is geen nadere medische informatie overgelegd waaruit zou kunnen blijken dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet of op onvoldoende wijze rekening heeft gehouden met de medische toestand van appellant op 21 maart 2013. Hieruit volgt dat er onvoldoende aanknopingspunten bestaan voor het benoemen van een onafhankelijke deskundige psychiater.
4.3.
Uitgaande van de juistheid van de voor appellant vastgestelde beperkingen, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de functies die uiteindelijk aan de schatting ten grondslag zijn gelegd in medisch opzicht niet passend zouden zijn voor appellant. Hieruit volgt dat het Uwv op goede gronden heeft vastgesteld dat voor appellant met ingang van 21 maart 2013 geen recht op een WIA-uitkering is ontstaan.
4.4.
Op grond van het vorenstaande slaagt het hoger beroep niet, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris als voorzitter en J.J.T. van den Corput en C.C.W. Lange als leden, in tegenwoordigheid van L.L. van den IJssel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 januari 2016.
(getekend) A.I. van der Kris
(getekend) L.L. van den IJssel

NK