Appellanten ontvingen bijstand op grond van de WWB en werden geconfronteerd met een besluit van het college tot intrekking van de bijstand vanaf 30 december 2012 en terugvordering van kosten wegens vermeende schending van de inlichtingenplicht over hun vermogen, waaronder auto's, waardevolle goederen en bankstortingen.
Na een controle op het woonwagenkamp en onderzoek door sociale rechercheurs stelde het college dat appellanten onjuiste of onvolledige informatie hadden verstrekt. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelt anders.
De Raad stelt vast dat het college onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat appellanten niet aan hun inlichtingenplicht voldeden, met name over de Toyota die niet op naam van appellant stond in de relevante periode. Verder werd het vermogen van appellanten vastgesteld op €10.622,50, wat boven de vrij te laten grens lag voor de periode dat alleen appellante bijstand ontving. De stortingen op de bankrekening werden als inkomen aangemerkt.
De Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank en het besluit van het college voor zover het de intrekking van bijstand vanaf 25 januari 2013 betreft, herroept het eerdere besluit en bepaalt dat de bijstand over april en mei 2013 wordt herzien. Het college wordt veroordeeld in de proceskosten van appellanten.