ECLI:NL:CRVB:2016:230
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen bij reorganisatie
Appellante heeft een loonsanctie opgelegd gekregen omdat zij onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht voor haar werknemer die sinds 1 oktober 2009 arbeidsongeschikt was. Het UWV stelde vast dat appellante, ondanks het inzetten van de werknemer in niet-structurele werkzaamheden en het inschakelen van een outplacementbureau (spoor 2), onvoldoende onderzoek had gedaan naar interne re-integratiemogelijkheden.
De rechtbank had het bezwaar van appellante tegen de loonsanctie vernietigd wegens onvoldoende motivering omtrent de klachten van de werknemer, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand. Appellante stelde in hoger beroep dat zij wel degelijk had gekeken naar interne herplaatsingsmogelijkheden, maar dat dit geen resultaat had opgeleverd en dat zij een grote reorganisatie had doorgevoerd.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat ondanks de reorganisatie de volledige re-integratieverplichtingen op de werkgever rusten. De raad baseerde zich op arbeidskundige rapporten waarin werd geconcludeerd dat appellante onvoldoende onderzoek had gedaan naar passende functies binnen het bedrijf. Ook het late arbeidskundige rapport van november 2015 kon geen gewicht krijgen voor het besluit van 2011.
Daarom werd het bestreden besluit, dat de loonsanctie handhaafde, bevestigd. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: De loonsanctie tegen appellante wordt bevestigd wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen ondanks reorganisatie.