ECLI:NL:CRVB:2016:2313
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging bijstand wegens gezamenlijke huishouding met gewijzigde inzichten en gewenningsperiode
Appellant woonde sinds 2008 op een adres waar ook P verbleef. In 2010 vroeg appellant bijstand aan als alleenstaande, maar het college concludeerde na onderzoek dat sprake was van een gezamenlijke huishouding en wees de aanvraag af. Na bezwaar werd bijstand verleend omdat onvoldoende sprake werd geacht van gezamenlijke huishouding.
In 2014 leidde een anonieme melding tot een nieuw onderzoek waaruit bleek dat appellant wel een gezamenlijke huishouding voerde met P. Het college beëindigde daarop de bijstand met ingang van 1 juli 2014 en gaf appellant een gewenningsperiode van drie weken om zijn situatie aan te passen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de gewenningsperiode toereikend was. Appellant stelde in hoger beroep dat niet voldaan was aan het criterium van wederzijdse zorg en dat de overbruggingsperiode te kort was. De Raad verwierp het primaire verweer over gezamenlijke huishouding en bevestigde dat de drie weken voldoende waren gezien de omstandigheden.
De Raad benadrukte dat de situatie van appellant niet vergelijkbaar was met eerdere jurisprudentie waarin een langere overbruggingsperiode werd toegekend. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de beëindiging van de bijstand bevestigd.