ECLI:NL:CRVB:2016:2352
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling schadevergoeding wegens vertraging bijstand na onrechtmatig besluit
Appellant ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand, welke door het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam werd ingetrokken wegens schending van de inlichtingenplicht. Na een uitspraak van de voorzieningenrechter werd het besluit herroepen en bijstand met terugwerkende kracht hervat, onder aftrek van kortingen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant gegrond en veroordeelde het college tot betaling van schadevergoeding bestaande uit wettelijke rente over de na te betalen bijstand, waarbij andere schadevergoedingen werden afgewezen. Appellant ging in hoger beroep tegen deze afwijzing van aanvullende schadevergoeding.
De Centrale Raad van Beroep overwoog dat het overgangsrecht van toepassing is en dat het onrechtmatige besluit aan het bestuursorgaan kan worden toegerekend. Volgens vaste rechtspraak dient bij schadevergoeding zoveel mogelijk aansluiting te worden gezocht bij het civielrechtelijk schadevergoedingsrecht. Artikel 6:119 BW Pro bepaalt dat schadevergoeding wegens vertraging in betaling van een geldsom beperkt is tot wettelijke rente, ook als de rechthebbende meer schade stelt te hebben geleden.
De door appellant gestelde extra schade, zoals huurachterstand, incassokosten en hogere zorgpremies, vloeit voort uit de vertraging in betaling van bijstand en kan niet leiden tot een hogere vergoeding dan de wettelijke rente. De Raad bevestigt daarom de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep af.
Er is geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 21 juni 2016.
Uitkomst: Hoger beroep wordt afgewezen; schadevergoeding blijft beperkt tot wettelijke rente.