Appellante ontving vanaf oktober 2009 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het college van burgemeester en wethouders van Gemert-Bakel trok het recht op bijstand in voor de periode november 2009 tot mei 2012 en vorderde de bijstandskosten terug, omdat appellante een bouwvergunning had gekregen voor een woonwagen waarvan de financiering niet kon worden verklaard.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, maar in hoger beroep stelde de Centrale Raad van Beroep vast dat het college gedurende ruim tweeënhalf jaar bewust niet had gehandeld ondanks concrete aanwijzingen over de bouwactiviteiten en mogelijke onrechtmatigheid van de bijstand.
De Raad oordeelde dat het college hierdoor de discretionaire bevoegdheid tot terugvordering niet volledig kon uitoefenen en beperkte de terugvordering tot de periode van november 2009 tot en met december 2010. Het college werd opgedragen een nieuw besluit te nemen en werd veroordeeld in de proceskosten.