ECLI:NL:CRVB:2016:2376
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens exploitatie hennepkwekerij en schending inlichtingenplicht
Appellante ontving bijstand op grond van de WWB en stond ingeschreven op een uitkeringsadres. Na een anonieme melding startte de sociale recherche een onderzoek, waaruit bleek dat op het uitkeringsadres een hennepkwekerij met 113 planten werd aangetroffen. Appellante was op de hoogte van de kwekerij en had afspraken gemaakt over de inrichting en verzorging, wat wijst op betrokkenheid en mogelijke inkomsten.
Het college trok de bijstand met ingang van 1 oktober 2013 in wegens schending van de inlichtingenplicht, omdat appellante de hennepkwekerij niet had gemeld en ook haar wijziging van woon- en verblijfplaats niet tijdig had doorgegeven. De rechtbank vernietigde het besluit voor de periode na 30 januari 2014, maar de Raad beoordeelde het incidenteel hoger beroep over de gehele periode van 1 oktober 2013 tot 16 januari 2014.
De Raad oordeelde dat de omvang van de kwekerij duidt op een bedrijfsmatig karakter en dat appellante de inlichtingenplicht heeft geschonden. Daarnaast waren haar verklaringen over haar woon- en verblijfplaats in de tweede periode tegenstrijdig en onvoldoende duidelijk, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. Daarom was het college bevoegd de bijstand in te trekken. Het incidenteel hoger beroep slaagde niet en de aangevallen uitspraak werd bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de bijstand wegens schending van de inlichtingenplicht en exploitatie van een hennepkwekerij met bedrijfsmatig karakter.