Uitspraak
.Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Schuckink Kool. Het college is vertegenwoordigd door I.M. Groen.
OVERWEGINGEN
.Tegen dit besluit heeft appellante geen rechtsmiddel aangewend.
.
.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellante ontving bijstand op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) voor de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan, met een maximale periode van 36 maanden. Na diverse besluiten en bezwaarprocedures heeft het college de bijstand beëindigd omdat de maximale termijn was bereikt.
Appellante voerde aan dat de ingangsdatum van de bijstand later moest worden vastgesteld en dat de periode van 36 maanden niet aaneengesloten hoefde te zijn. De Raad oordeelde dat eerdere besluiten waarin de ingangsdatum was vastgesteld onherroepelijk zijn geworden en dat de wetstekst en beleidsmatige overwegingen vereisen dat de termijn van 36 maanden aaneengesloten is.
De Raad stelde vast dat verlenging van de bijstand alleen mogelijk is bij medische of sociale redenen, die appellante niet had aangevoerd. De aangevallen uitspraak van de rechtbank Den Haag werd bevestigd en het hoger beroep van appellante werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: De maximale periode van 36 aaneengesloten maanden bijstand op grond van het Bbz 2004 wordt niet verlengd.