ECLI:NL:CRVB:2021:3059
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering verlenging bijstand zelfstandige na maximale termijn BBZ 2004
Appellant exploiteerde een onderneming en ontving bijstand op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (BBZ 2004). De maximale bijstandstermijn van 36 maanden liep op 1 februari 2018 af. Het college weigerde verlenging van de bijstand, omdat appellant niet voldeed aan de voorwaarden voor verlenging, zoals medische of sociale redenen voor niet-beschikbaarheid.
Appellant voerde aan dat het individualiseringsbeginsel, het zorgvuldigheids- en evenredigheidsbeginsel en de menselijke maat toegepast moesten worden om de termijn te verlengen, mede vanwege omzetdaling door een Facebook-algoritme. De Raad oordeelde dat deze gronden niet slaagden, omdat appellant steeds volledig beschikbaar was en geen recht had op voortzetting van bijstand op grond van het BBZ 2004.
Verder stelde appellant dat de regeling discriminerend was en in strijd met artikel 14 EVRM Pro. De Raad verwierp dit omdat het BBZ 2004 en de Participatiewet verschillende doelstellingen hebben en de wetgever ruime beoordelingsvrijheid heeft bij het vaststellen van dergelijke termijnen.
De aanvraag om bijstand op grond van de Participatiewet werd afgewezen omdat appellant als zelfstandige onder het BBZ 2004 valt. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van verlenging van bijstand na 36 maanden op grond van het BBZ 2004.