ECLI:NL:CRVB:2016:2399
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering WW-uitkering wegens verblijf buiten Nederland en detentie
Appellant, werkzaam als beveiliger, kreeg zijn vergunning ingetrokken vanwege het ontbreken van de vereiste betrouwbaarheid. Na zijn vertrek naar Suriname, waar hij werd gedetineerd, vroeg hij een WW-uitkering aan. Het UWV weigerde de uitkering op grond van artikel 19 van Pro de WW, omdat appellant anders dan wegens vakantie buiten Nederland verbleef en zijn vrijheid was ontnomen.
Appellant betwistte dit en voerde onder meer schending van artikel 8 EVRM Pro aan, maar slaagde hier niet in. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak in hoger beroep.
De Raad oordeelde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij voor vakantie in Suriname verbleef en dat de uitsluitingsgronden van artikel 19, eerste lid, onderdelen e en g van de WW terecht op hem van toepassing waren. Een evenredige belangenafweging of schadevergoeding werd afgewezen.
Uitkomst: De WW-uitkering is terecht geweigerd vanwege verblijf buiten Nederland anders dan wegens vakantie en detentie.