Uitspraak
OVERWEGINGEN
BESLISSING
en 6 maart 2014 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit
van 23 juni 2014;
€ 3.472,-;
€ 168,- vergoedt.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving bijstand op grond van de WWB en stond ingeschreven op een adres waar een vergunning voor kamerverhuur voor maximaal vier personen was afgegeven, terwijl vijf personen in de GBA stonden ingeschreven. Na huisbezoeken en onderzoek besloot het college de bijstand in te trekken en terug te vorderen, omdat appellant niet op het opgegeven adres zou wonen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant deels gegrond en legde een lagere boete op. In hoger beroep betoogde appellant dat het college ten onrechte de bijstand had ingetrokken en dat het bewijs onvoldoende was om te concluderen dat hij niet op het adres woonde.
De Raad oordeelde dat het onderzoek onvoldoende was omdat onduidelijk bleef welke kamer appellant feitelijk bewoonde en dat het college niet aannemelijk had gemaakt dat appellant niet op het adres woonde. Daarom vernietigde de Raad het bestreden besluit en herroept de besluiten van het college. Tevens veroordeelde de Raad het college tot vergoeding van de proceskosten.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand wordt vernietigd wegens onvoldoende bewijs dat appellant niet woonde op het opgegeven adres.