ECLI:NL:CRVB:2016:2454
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging WW-uitkering wegens onvoldoende sollicitatieactiviteiten
Appellant ontving vanaf 9 december 2013 een WW-uitkering. Het UWV verlaagde deze uitkering met ingang van 10 maart 2014 gedurende vier maanden met 25%, omdat appellant onvoldoende had gesolliciteerd in de periode van 9 december 2013 tot en met 3 maart 2014.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het beleid omtrent sollicitatieplicht niet onredelijk was en dat de maatregel proportioneel was. Appellant voerde in hoger beroep aan dat de maatregel disproportioneel was en een onevenredige financiële last opleverde, mede gezien de gevolgen voor zijn gezin.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank. Er waren geen bijzondere omstandigheden die de maatregel buitensporig maakten. Uit gegevens bleek dat appellant toeslagen en bijstand ontving, waardoor de verlaging geen onevenredige last vormde. Het verzoek om vergoeding van wettelijke rente werd afgewezen en de aangevallen uitspraak werd bevestigd.
Uitkomst: De verlaging van de WW-uitkering met 25% wordt bevestigd en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.