ECLI:NL:CRVB:2016:2470
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ontslag wegens ernstig plichtsverzuim na mishandeling echtgenote
Appellant was sinds 1998 werkzaam als penitentiair inrichtingswerker bij de Dienst Justitiële Inrichtingen. Na eerdere disciplinaire maatregelen wegens mishandeling werd hij in 2014 ontslagen wegens ernstig plichtsverzuim, waaronder mishandeling van zijn echtgenote in juni 2013 en het niet opvolgen van een dienstopdracht zich te melden.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen het ontslagbesluit ongegrond en achtte aannemelijk dat appellant zijn echtgenote had mishandeld. De rechtbank vond ook dat appellant handelde in strijd met gedragsvoorschriften en niet reageerde op een oproep, wat eveneens ernstig plichtsverzuim vormde.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn bezwaren, maar de Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank dat de gedragingen van appellant zeer ernstig plichtsverzuim zijn. De opgelegde straf van ontslag is gezien de ernst niet onevenredig, ondanks de aanzienlijke gevolgen voor appellant.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt daarom het ontslagbesluit en wijst het hoger beroep af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het ontslag wegens ernstig plichtsverzuim wordt bevestigd.