Appellant, een ambtenaar, betwistte zijn inschaling en de betaling van wettelijke rente over nabetalingen van salaris en toelage onregelmatige dienst vanaf 1 juli 2003. Na eerdere besluiten en afspraken over zijn inschaling en financiële afwikkeling, verzocht appellant in 2013 om nakoming van deze afspraken, waaronder een hogere inschaling en betaling van wettelijke rente.
De minister wees dit verzoek af in een brief van 28 maart 2013, waarop appellant bezwaar maakte. Dit bezwaar werd door het bestreden besluit grotendeels niet-ontvankelijk verklaard en inhoudelijk ongegrond verklaard door de rechtbank. Appellant ging in hoger beroep tegen deze uitspraak.
De Raad oordeelt dat de brief van 28 maart 2013, voor zover deze de inschaling betreft, moet worden gezien als een weigering van een verzoek om terug te komen op een onherroepelijk besluit, en dus een appellabel besluit is. De niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar is onterecht. De Raad vernietigt het bestreden besluit voor zover het bezwaar tegen de inschaling en de wettelijke rente betreft en verklaart het bezwaar tegen de inschaling ongegrond. Over de wettelijke rente moet de minister opnieuw beslissen, waarbij beroep tegen die nieuwe beslissing alleen bij de Raad kan worden ingesteld.
De Raad wijst erop dat het formulier 'Beslissen over belonen' uit 2009 geen nieuw feit is dat aanleiding geeft tot herziening van de inschaling vanaf 2003. Verder oordeelt de Raad dat de afdracht van pensioenpremies privaatrechtelijk is en niet onder de Awb valt, zodat het bezwaar hierover niet slaagt.
Tot slot veroordeelt de Raad de minister in de kosten van appellant en bepaalt dat het betaalde griffierecht wordt vergoed.