ECLI:NL:CRVB:2016:2547
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging vrijwillige Ziektewetverzekering met terugwerkende kracht niet in strijd met rechtszekerheid
Appellant heeft zich op 11 maart 2012 aangemeld voor een vrijwillige verzekering op grond van de Ziektewet met een gewenst dagloon van €191,-. Het UWV heeft hem per 1 januari 2012 toegelaten tot de verzekering, maar met een vastgesteld dagloon van €92,-, omdat de door appellant overgelegde gegevens onvoldoende waren voor het maximum dagloon.
Appellant maakte bezwaar tegen het vastgestelde dagloon en betaalde de premienota van €887,76 over januari tot juni 2012 niet. Na meerdere aanmaningen beëindigde het UWV de verzekering met terugwerkende kracht per 1 januari 2012 wegens niet-betaling van premie. Appellant maakte bezwaar en verzocht om schadevergoeding.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep handhaafde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad overwoog dat appellant duidelijk had aangegeven de verzekering alleen te willen accepteren tegen het maximale dagloon, maar dat het UWV dat niet toestond. Door niet te betalen, heeft appellant de verzekering feitelijk niet gewild. De terugwerkende beëindiging is daarom geen schending van het rechtszekerheidsbeginsel.
De Raad wees het verzoek om schadevergoeding af en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV de vrijwillige Ziektewetverzekering met terugwerkende kracht mocht beëindigen wegens niet-betaling van premie.