ECLI:NL:CRVB:2016:2628
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid en passende functies met afwisseling van houding
Appellante, werkzaam als servicemedewerker, meldde zich in 2009 ziek wegens rugklachten. Het UWV stelde in 2012 vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde een WIA-uitkering. Dit besluit werd in bezwaar en beroep bevestigd. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij een door de rechtbank ingeschakelde reumatoloog het oordeel van het UWV onderschreef.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat de geselecteerde functies onvoldoende mogelijkheden tot vertreden boden, waardoor zij niet passend zouden zijn. De deskundige reumatoloog stelde dat afwisseling van houding essentieel is en voegde een aspect toe aan de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). De arbeidsdeskundige beoordeelde dat de geselecteerde functies voldeden aan deze eis.
De Raad vroeg nadere toelichting aan de deskundige, die verduidelijkte dat substantiële afwisseling van houding inhoudt dat na circa een uur zitten enkele minuten gelopen moet worden. De arbeidsdeskundige bevestigde dat de functies passend zijn, omdat er geen aaneengesloten zitduur langer dan een uur is en vertreden mogelijk is.
De Raad hechtte doorslaggevende waarde aan het deskundigenoordeel en vond de motivering overtuigend. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid en passendheid van de geselecteerde functies.