Appellante ontving in 2011 een vervoersvoorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) met een maximale eigen bijdrage van €9,35 per vier weken. In 2013 wijzigde het college deze bijdrage naar €142,01 per vier weken voor de resterende perioden, gebaseerd op een nieuwe verordening die per 1 januari 2013 in werking trad.
De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellante tegen deze wijziging ongegrond, stellende dat het college flexibel bevoegd was de eigen bijdrage ook na verstrekking van de voorziening aan te passen. Appellante stelde in hoger beroep dat de verordening geen bevoegdheid gaf tot wijziging van de eigen bijdrage voor reeds toegekende voorzieningen en dat zij gerechtvaardigd mocht vertrouwen op het oorspronkelijke besluit.
De Raad oordeelde dat de verordening geen grondslag biedt voor het verhogen van de eigen bijdrage bij een pgb, omdat teruggeven van de voorziening niet mogelijk is en de overgangsbepaling slechts een tijdelijke toepassing kent tot 15 juli 2013. Daarom vernietigt de Raad het bestreden besluit en herroept het besluit van 31 mei 2013, waarbij de oorspronkelijke maximale eigen bijdrage blijft gelden. Tevens veroordeelde de Raad het college tot vergoeding van proceskosten.