ECLI:NL:CRVB:2016:2950
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking persoonsgebonden budget wegens onvoldoende verantwoording contante betalingen
Appellant ontving voor 2013 een persoonsgebonden budget (pgb) voor hulp bij het huishouden, dat hij moest verantwoorden met bewijs van betaling via bankoverschrijving. Hij legde verantwoording af met contante betalingen aan een zorgverlener zonder bankrekening, ondersteund door kwitanties en verklaringen.
Het college trok het pgb in en vorderde het bedrag terug omdat contante betalingen niet als bewijs worden geaccepteerd en appellant onvoldoende verantwoording gaf. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, oordeelde dat appellant op de hoogte had kunnen zijn van de regels en dat het college bevoegd was tot intrekking en terugvordering.
In hoger beroep stelde appellant dat het uitsluiten van contante betaling wettelijk niet was toegestaan en dat hij voldoende bewijs had geleverd. De Raad oordeelde dat het college op grond van de Wmo en gemeentelijke verordening regels mocht stellen over verantwoording en betaling per bankrekening. Appellant had onvoldoende bewijs geleverd en de belangenafweging van het college was redelijk.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af, zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van het pgb en terugvordering bevestigd.