ECLI:NL:CRVB:2016:302
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A.B.J. van der Ham
- W.F. Claessens
- H.D. Stout
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding
Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven om bijstand terug te vorderen over de periode van 1 juli 2010 tot 31 juli 2012, omdat hij volgens het college een gezamenlijke huishouding voerde met D, die bijstand ontving. Het college had de bijstand aan D ingetrokken wegens het niet melden van deze gezamenlijke huishouding.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad oordeelde dat appellant weliswaar niet uitsluitend in de woning van D verbleef, maar daar wel zijn hoofdverblijf had, wat voldoende is voor het voeren van een gezamenlijke huishouding. Dit oordeel werd onderbouwd met onderzoeksresultaten en verklaringen.
De Raad concludeerde dat appellant de persoon is met wiens middelen bijstand aan D had moeten worden verleend en dat het college daarom bevoegd was de kosten van de bijstand mede van appellant terug te vorderen. Het verzoek om vergoeding van schade werd afgewezen en de aangevallen uitspraak werd bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellant wordt afgewezen en de terugvordering van bijstand wordt bevestigd.